Strafzaken

Reactie op vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek

In de rechtspraktijk zijn vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek onderwerp van voortdurend debat. Dat heeft advocaat-generaal Bleichrodt aanleiding gegeven de Hoge Raad uit te nodigen zijn rechtspraak in diverse opzichten te verduidelijken en op onderdelen te komen tot een accentverschuiving (PHR 7 juli 2020, ECLI:NL:PHR:2020:654).

In zijn arresten heeft de Hoge Raad die uitnodiging aangenomen en een overzichtsarrest gewezen waarin het beoordelingskader op onderdelen wordt verduidelijkt en de formulering van diverse maatstaven deels wordt bijgesteld of genuanceerd. In het ene geval gaat het om overmatig politiegeweld tijdens de aanhouding. In het andere om onvolledige, onjuiste, tegenstrijdige en te late informatie­ver­strekking door het Openbaar Ministerie na aanhouding van de verdachte in Venezuela en de uitzetting van deze persoon. In beide gevallen is sprake van vormverzuimen die voorafgaan aan de behandeling ter terechtzitting.

De Hoge Raad ziet geen aanleiding om substantiële wijzigingen aan te brengen, onder meer vanwege de op stapel staande modernisering van het Wetboek van Strafvordering, maar wel om een paar accenten te verschuiven ten opzichte van de arresten HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533 en HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321.

Voorop wordt gesteld, dat in het strafproces centraal staat dat de rechter, met inachtneming van de regels van een eerlijk proces, zoveel mogelijk een inhoudelijk oordeel velt over de beschuldiging die jegens de verdachte wordt geuit en zo recht spreekt in de concrete zaak. Zoals ook in de conclusie van de advocaat-generaal tot uitdrukking komt, rust op de strafrechter niet de taak en verantwoor­delijkheid de rechtmatigheid en de integriteit van het optreden van politie en justitie als geheel te bewaken.

Artikel 359a Sv formuleert dan ook een bevoegdheid en niet een plicht om rechtsgevolgen te verbinden aan vormverzuimen bij het voorbereidend onderzoek. Het biedt de mogelijkheid te volstaan met de constatering dat een vormverzuim is begaan. Bij de toepassing van de bepaling gaat het om afweging van de met vervolging en berechting van strafbare feiten gemoeide belangen – zoals waarheidsvinding en de bestraffing van de daders van strafbare feiten – en de belangen die verband houden met de handhaving van grondrechten en de bevordering van een normconform verloop van het voorbereidend onderzoek. Uitdrukkelijk overweegt de Hoge Raad dat, waar mogelijk, wordt volstaan met het – vanuit het perspectief van de met vervolging en berechting van strafbare feiten gemoeide belangen bezien – minst verstrekkende rechtsgevolg (het zogenoemde subsidiariteitsbeginsel).

Het artikel betreft vormverzuimen die zijn begaan bij ‘het voorbereidend onderzoek’ tegen de verdachte. Dat sluit echter niet uit dat een rechtsgevolg wordt verbonden aan een vormverzuim door een opsporingsambtenaar dat niet is begaan bij het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte, of aan een onrechtmatige handeling jegens de verdachte door een andere functionaris of persoon dan zo’n opsporingsambtenaar indien sprake is geweest van bepalende invloed op het verloop van het opsporingsonderzoek naar en/of de (verdere) vervolging van de verdachte ter zake van het tenlastegelegde feit.

Bij de bespreking van mogelijke rechtsgevolgen buiten de enkele constatering van het verzuim begint de Hoge Raad met de strafvermindering. Daarmee kan door de verdachte ondervonden nadeel worden gecompenseerd, onder meer bij vormverzuimen die een inbreuk hebben gemaakt op de lichamelijke integriteit of de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. Een duidelijk voorbeeld daarvan bood de behandeling van de verdachte in de zaak van de verkrachting en het doden van Anne Faber (HR 23 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1092), die resulteerde in ernstig letsel na zijn arrestatie. Strafvermindering is ook mogelijk in gevallen waarin, als gevolg van een of meerdere vormverzuimen, in het verloop van de procedure complicaties zijn opgetreden die het voeren van de verdediging ernstig hebben bemoeilijkt, maar waarbij die vormverzuimen vervolgens in voldoende mate zijn hersteld om het proces als geheel eerlijk te laten verlopen.

Wat betreft de bewijsuitsluiting wordt opgemerkt dat deze reactie mogelijk blijft om een schending van artikel 6 EVRM te voorkomen. De Hoge Raad komt evenwel tot een wijziging met betrekking tot de twee andere categorieën van gevallen die zijn benoemd in het eerdergenoemde arrest van 19 februari 2013. De Hoge Raad volstaat nu met een globaler beoordelingskader voor verzuimen die niet de eerlijkheid van het proces betreffen. Uitgangspunt is dat de verkrijging van onderzoeksresultaten gepaard is gegaan met zo’n vormverzuim niet eraan in de weg staat dat die resultaten voor het bewijs van het tenlastegelegde feit worden gebruikt. Onder omstandigheden kan bewijsuitsluiting echter noodzakelijk worden geacht als rechtsstatelijke waarborg en als middel om met de opsporing en vervolging belaste ambtenaren te weerhouden van onrechtmatig optreden en daarmee als middel om te voorkomen dat vergelijkbare vormverzuimen in de toekomst zullen plaatsvinden.

Niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie vergt nog steeds een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd. Daarbij moet die inbreuk het verstrekkende oordeel kunnen dragen dat ‘the proceedings as a whole were not fair’. In het zeer uitzonderlijke geval dat op deze grond de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging in beeld komt, hoeft echter niet – in zoverre stelt de Hoge Raad de eerder gehanteerde maatstaf bij – daarnaast nog te worden vastgesteld dat sprake is geweest van een ernstige inbreuk op beginselen van een behoorlijke procesorde en dat de betreffende inbreuk op het recht op een eerlijk proces doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte heeft plaatsgevonden.

Indien het verweer wordt gevoerd dat zich een vormverzuim heeft voorgedaan en dat dit moet leiden tot een van de in artikel 359a lid 1 Sv genoemde rechtsgevolgen, moet de rechter beoordelen of de aan dat verweer ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden aannemelijk zijn geworden. De rechter kan echter een dergelijk verweer zonder onderzoek naar de feitelijke grondslag daarvan verwerpen indien hij tot het oordeel komt dat wat is aangevoerd – ware het juist – niet leidt tot één van de in artikel 359a lid 1 Sv genoemde rechtsgevolgen. Ook heeft de rechter de mogelijkheid om uit te gaan van de juistheid van de feitelijke grondslag van het verweer en op grond daarvan over te gaan tot het toepassen van het rechtsgevolg.

ARREST
HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889

ARREST
HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1890